|
Dit
luistert nogal nauw en dat is ook best te begrijpen als je ziet
hoe smal zo'n korjaal eigenlijk is. Je kunt op zo'n plankje net
naast elkaar zitten en dan nog hopen dat je medepassagier niet
al te dik is uitgevallen.
Ik
zat naast de hob en dat is gelukkig geen dikkerd, ikzelf ook
niet zodat dat geen problemen opleverde. Erg lastig is de enorme
hoeveelheid bagage die meegenomen moet worden. Doordat er elke
dag uitgeladen moet worden komt het elke dag voor dat je weer
iets rotter komt te zitten dan de dag daarvoor. Het meeste last
hebben wij wel gehad van de blikken groente en fruit die in een
plastic zak waren verpakt en die boven op de jerrycans lagen. Er
ligt over dit geheel een groot dekzeil zodat het onmogelijk is
gebleken om deze blikken tijdens de tocht te verplaatsen iets
wat ons mateloos ergerde. Echter met de wetenschap dat elke
avond enkele van deze blikken het moesten ontgelden was het toch
wel uit te houden en na verloop van tijd hadden we toch de
dingen zo weten te manoeuvreren dat we een redelijke ruggesteun
hadden. Andere jongens zaten op de bankjes zonder ruggesteun en
dat is nog erger dan een harde ruggesteun. Onder begeleiding van
de klanken uit de oude trompet getoverd door de hob begonnen we
dus aan de tweede ruk. De eerste twee dagen zouden we het
langste in de boten moeten doorbrengen. De rivier is op deze
twee lange trajecten niet zo erg moeilijk bevaarbaar alhoewel we
ons vandaag toch wel hebben verbaasd over de moeilijkheden die
het varen op deze rivieren kenmerken. Volgens het officiële
rapport hebben we geen soela's van belang gepasseerd maar daar
ben ik het toch niet helemaal mee eens. Tot ongeveer 1100 uur
gebeurde er niets spectaculairs wat de soela's betreft maar dit
werd goedgemaakt door de schoonheid van de rivier en de
aangrenzende oevers. Het was duidelijk dat we steeds meer het
binnenland ingingen want het terrein werd langzamerhand steeds
heuvelachtiger en zo tegen een uur of tien kwamen we langs het
Nassau gebergte. Het samenvloeien van de kleuren groen en blauw
is hier werkelijk iets fantastisch. Het vormde één prachtig
geheel. Het blauw van de rivier en het diepe blauw met enkele
witte volken van de hemel en daartussen het prachtige groen van
de heuvels. Er zijn op dit stuk dan ook heel wat foto's en dia’s
genomen en nu maar afwachten of we er in zijn geslaagd de
schoonheid van dit tafereel op de gevoelige plaat vast te
leggen. Het meeste van de tijd voeren we dicht onder de franse
kust omdat daar het water dieper is dan in het midden of aan de
Surinaamse kant. Echter de koelamannen bleven goed uitkijken en
zo nu en dan kwam onze hoofdkoelaman overeind om het water voor
ons te bestuderen. Deze kerels zijn werkelijk fantastisch wat
het onderscheidingsvermogen betreft. Door bepaalde stromingen
kunnen zij gevaarlijke plaatsen al reeds van verre zien
aankomen. Natuurlijk zijn zij hier op de rivier thuis en kennen
zij deze dan ook als hun broekzak maar toch blijft het een
prestatie. Ze kijken zonder problemen 2 meter diep in het water
en dat is gewoon ongelofelijk. Wij hebben het zelf ook wel eens
geprobeerd maar voor ons is dat niet haalbaar. Het meest
ongelofelijke is echter dat zij dit ook kunnen als de zon pas
opkomt of aan het ondergaan is. De weerkaatsing van het zonlicht
is dan dusdanig fel datje gewoon met je ogen zit te knipperen en
je gegarandeerd na enkele minuten reeds koppijn krijgt De
koelamannen echter staan daar maar gewoon te kijken alsof er
niets aan de hand is. Hier blijkt wel hoeveel onze capaciteiten
wat betreft kijken, ruiken en horen achteruit gegaan is sinds de
mens in de steden is gaan leven. Die gasten kunnen midden op het
water een varken ruiken dat ergens langs de oever aan het
scharrelen is. We hebben enkele apen gezien tijdens deze dag
maar dat moeten we maar geloven. De koelaman wees ons naar de
compleet dichtgegroeide oever en zei dat daar en daar apen in de
bomen zaten. Wij kijken en kijken maar we konden niets
ontdekken. Daar werd van gebaald want eindelijk is er een aap te
zien of iets anders wat de sleur breekt en dan blijkt dat je nog
niets kan ontdekken. Trouwens als je die koelamannen zo bezig
ziet begin je al gauw het een en ander aan ze op te vallen iets
wat de scherpe reukzin van deze mensen totaal niet onderstreept.
Ze zijn namelijk net zo als wij verzot op tabak maar je zal ze
nooit zien roken. Ze hebben altijd een klein potje bij hun met
een dekseltje erop. In dat potje doen ze een beetje tabak,
liefst zware tabak, en dan vullen ze het potje voor driekwart
met water. Dan duwen ze met hun vinger enkele malen op de tabak
en zetten het vervolgens afgesloten ergens onder de bank. Enkele
minuten later halen ze het weer tevoorschijn, gieten wat van dit
ontzettend sterke spul op hun hand, en snuiven het vocht dan
door hun neus naar binnen; daarna blazen ze het weer naar buiten
en aan hun gezichten te merken moet dat erg prettig wezen. Dat
sap ziet er ontzettend bruin uit en moet volgens mij vloeibaar
nicotine zijn. Onbegrijpelijk dat die mensen dat uithouden en
het vreemdste is nog dat ze hun reuk niet schijnen te verliezen.
Een zeer vreemde manier van tabak gebruiken en geen van ons
allen voelt zich dan ook geroepen om dit eens te proberen. We
weten namelijk niet of we hiertegen verzekerd zijn. Dat je neus
van binnen in de brand vliegt hebben we zo wie zo al bepaald en
dus hielden we ons alleen maar bezig met het griezelen bij het
zien gebruiken van deze methode. Zo tegen een uur of 11 kwamen
we in de buurt van Stoelmanseiland en voordat we daar even een
rustpauze gingen houden moesten we nog drie behoorlijke soela’s
over waarvan de tweede wel de meest woeste was. Er werd in het
begin heftig gediscussieerd door de koelamannen hoe we deze
hindernis zouden nemen het is wel begrijpelijk dat met elke
waterstand er anders gevaren kan of moet worden. Ze waren het
echter vrij snel eens met elkaar en nu werd de afstand tussen de
korjalen aanmerkelijk vergroot. Het risico dat een korjaal de
soela niet kan nemen is natuurlijk niet ondenkbaar en je kan je
wel voorstellen wat er gebeurt als de korjaal moet terugkeren en
er is net een andere korjaal bezig de soela op te komen.
Botsingen, omslaan, zwemmen en al dergelijke dingen liggen dan
in het vooruitzicht en dat is geen prettig vooruitzicht. De
soela's waren van een dergelijk kaliber dat de zwemvesten
omgedaan moesten worden en we verwachtten dan ook alvast het
ergste. Het moeilijkste van deze vaarpatrouille is het
behandelen van de fototoestellen geweest. Water en fotospul
verdragen elkaar niet erg dus je deed je uiterste best om deze
dingen droog te houden. Aan de andere kant wilde je natuurlijk
foto's maken van dat prachtig opspringende water, de stampende
korjalen en de zwoegende koelamannen zodat het soms erg lastig
werd om te bepalen wat je nou moest gaan doen. Het toestel
opbergen in een plastic zak en onder je jasje vasthouden of in
een oud .50 kistje doen wat gegarandeerd waterdicht is of
gereed houden om foto's te maken. De jongens met de meest
eenvoudige toestellen van richt en knip zonder te hoeven draaien
aan afstandringen, diafragmaringen en tijdringen waren
natuurlijk het beste af. Simpel de kamera pakken, doordraaien
richten en knippen en snel weer wegstoppen bleek goed te gaan.
Heb je nu een kamera die je moet focussen dan stel je het
toestel natuurlijk veel langer bloot aan het gevaar van
opspattend water. Bovendien ben je meestal zolang bezig dat je
geen goed overzicht meer hebt op wat er aan het komen is zodat
de bezitters van deze kamera's vele malen totaal verrast door
een plotselinge beweging van de korjaal of een overspoelende
golf zich met alle verbetenheid over de kamera buigt om het te
beschermen. Goed, de afstand tussen de korjalen werd dus
vergroot en de eerste boot ging over de eerste soela. Er werd
hard geschreeuwd en waarschijnlijk ook wel gevloekt en met veel
duwen met de koelastokken en soms ineens overschakelend op de
peddel wisten de koelamannen en de motorist deze eerste
hindernis zonder schade te nemen. Dit alles is natuurlijk nogal
vlug verteld maar in feite duurde dit ongeveer tien minuten. De
soela bestaat namelijk meestal uit een vrij uitgestrekt gebied
waar het verval plaatsvindt en je ziet al gauw dat een rechte
lijn varen absoluut onmogelijk is. Er wordt tijdens zo’n
soela'tje nemen dan ook herhaalde malen van koers gewisseld
zodat je de ene keer tegen de stroom ingaat tot je voorbij een
stuk rots bent, dan gaat het ineens dwars op de stroomrichting
wat natuurlijk weer heel andere handelingen vereist en dan een
stukje met de stroom mee, gevolgd door allerlei rare bewegingen
weer tegen de stroom in en zo duurt het gevecht voor wat betreft
de eerste soela zeker wel tien minuten. Het water komt van alle
kanten op je af omdat de rotsachtige bodem het nou eenmaal niet
toestaat dat er één stroomrichting is. Grote draaikolken,
opwellend water, opspattend water en water in allerlei vormen
van bewegingen kom je dan tegen en je komt gewoon ogen tekort om
van dit prachtige schouwspel te genieten laat staan dat je in
staat bent om er sfeervolle foto's van te maken. Als alle drie
de korjalen de eerste soela hebben overwonnen wordt er meestal
weer even overlegd en dan gaat het naar de tweede toe. De rivier
maakt hier een totaal verwarrend beeld omdat er overal eilandjes
in liggen die een goed overzicht van de situatie belemmeren. Als
je hier dus voor de eerste keer komt is het wel zeker dat je
gegarandeerd de verkeerde kant op gaat want sommige doorgangen
lijken geheel makkelijk te nemen alhoewel dit puur een trucje is
van moeder natuur. We hebben ons vaak verwonderd over het feit
dat we altijd naar de kleinste en moeilijkste gaatjes gingen die
er waren maar we hebben gemerkt dat dit ook inderdaad de enige
plekken waren waar doorgang mogelijk was. De tweede soela deed
ons wel even bibberen want deze was wel iets heel aparts. Over
een breed front stortte het water zich hier trapsgewijs naar
beneden en hier was zo op het eerste gezicht helemaal geen
doorgang te zien. Dat klopte ook want we gingen zigzaggend langs
dit stuk en verdwenen ten slotte achter een eilandje. Hier
kregen we hetzelfde beeld maar op één plaats was dit anders,
veel enger. Natuurlijk moesten we hier doorheen en we hielden
onze adem in toen we het zagen. Een grote kolkende massa water
perste zich hier tussen twee rotsen door wat een donderend
lawaai maakte en ons bij voorbaat al nattigheid beloofde. Met
behulp van de koelastokken naast de boot en de motor af en toe
op volle kracht schuin op de richting van de boot gelukte het
ons dicht bij deze opening te komen en er aan de andere kant van
te komen. We hadden nu dus een stuk rustig water bereikt want
waar we dus vandaan kwamen was het nogal wild met allerlei
vreemde stromingen die de boot letterlijk alle kanten opgooide.
We waren nu dus vlak bij dat gat aangekomen, ongeveer drie meter
van die rotsen af, en de boot werd 180° gedraaid. Langzaam
slopen we voorwaarts totdat de punt van de korjaal zich bijna in
de kolkende stroom bevond. Daarna, plotseling begon de motor op
volle toeren te draaien en sprongen we schuin de waterval in
waardoor behoorlijk wat water naar binnen kwam. Door de enorme
stroom werd de boot echter direct recht op de stroomrichting
gezet en voor enkele seconden stonden we geheel stil. Het water
stroomde brullend langs de boot en de motor brulde zo mogelijk
nog harder. De twee koelamannen zetten hun stokken aan
weerszijden van de boot in het water en heel langzaam ging het,
stroomopwaarts. Toen een geweldige schreeuw van de hoofdkoelaman
en weer schoot de boot met een ruk verder. Op een gegeven moment
kwam de boot echter zo scheef te liggen dat er gevaar voor
omslaan inzat maar met enkele krachtige bewegingen wist de
koelaman dit te voorkomen. Het verschil tussen de voorkant van
de korjaal en de achterkant was nu opgelopen tot zeker één meter
en dat is behoorlijk ook voor zulke lange korjalen als wij
hadden. We kropen als het ware steeds verder de soela op en het
onvermijdelijke moest gebeuren. De motor kwam uit het water
omhoog doordat nu het grootste gedeelte van de korjaal al
dusdanig ver de soela op was dat de punt droog bleef, enkele
meters naar achteren het contact met het snelstromende water
werd gemaakt en helemaal achterin moest het erg onplezierig zijn
op dit moment. Het moment dat de achterkant van de boor omhoof
kwam en de schroef dus in de lucht maalde waren we helemaal
afhankelijk van de koelamannen en het vreemde was dat dit
helemaal geen verschil maakte. Nog steeds erg langzaam kropen we
verder totdat de schroef het water weer raakte. Daarna een
flinke ruk naar voren en de korjaal lag weer horizontaal. Echter
een zeer gevaarlijk gedeelte lag vlak achter dit stuk waar het
water zich met grote kracht tegen de oevers wierp en vandaar de
soela in. Boot werd dan ook onmiddellijk in die richting gegooid
maar de koelamannen waren hierop voorbereid. Ze zetten zich
schrap met de koela’s tegen de oever aan en je kon zien dat er
enorm hard gewerkt werd. De spieren van deze koelamannen stonden
strak als kabeltouwen; de motor loeide op z'n hardst en met
gweldige schreeuwen wisten ze de boot van de kant af te houden,
de kop van de korjaal in de nieuwe stroomrichting te plaatsen en
toen was het over. We waren goed nat geworden want er was zo
stiekemweg toch wel een behoorlijke hoeveelheid water naar
binnen gekomen. De koelamannen maakten een klein dansje van
plezier dat het ze gelukt was deze soela (de naam weet ik niet
maar dat doet er niet veel toe) te nemen. Er scheen echter nog
een andere weg te zijn want zo gauw we een rustig stukje water
hadden gevonden begon de hoofdkoelaman allerlei dingen te
schreeuwen die op wonderlijke wijze boven het enorme lawaai van
de soela uitkwam. Het resultaat was dat de andere twee korjalen
aan de andere kant van de oever bleven en daar de soela
opkwamen. Wij konden zien dat het veel gemakkelijker was dan de
route die wij genomen hadden. Toen ging het richting soela
nummer drie. Onderweg kwamen we nog een bootje tegen met enkele
toeristen erin die druk aan het fotograferen geslagen waren op
de soela. Ze liepen door het water en klauterden over
rotsblokken en wij zijn ook nog gefilmd. Uiteraard zie je
hiervan niets terug en dat is wel jammer want deze toeristen
hebben mooi de gelegenheid gehad om het hele zootje tegelijk te
fotograferen. De derde soela was nu geen probleem meer voor ons
'.ouwe stomp’ en het ging dan ook vrij gemakkelijk en daar is
verder weinig over te zeggen, alhoewel we bij deze soela natter
zijn geworden dan bij die vorige twee. Het blijkt namelijk dat
niet de hoogte van de soela naar de stromingen voor het
binnenstronende water zorgt. Als je met de korjaal zo tussen die
rotsen door aan het laveren bent komt het vaak voor dat de boot
alle kanten tegelijk opgestuurd wordt. Op stukken waar het erg
rustig lijkt, blijkt de stroming het verraderlijkst te zijn en
hier gebeurde het dan ook dat geheel onverwachts grote golven de
korjaal binnenkwamen. Je voelt je dan wel helemaal machteloos
want er absoluut niets wat je er tegen kan doen. Het enige waar
je echter in geïnteresseerd bent is het droog houden van je
kanera en dat is vrijwel de gehele reis iedereen behoorlijk
gelukt. Nadat alle drie de korjalen veilig en wel de soela's
genomen hadden hielden we op een rustig plekje even halt om van
een biertje te genieten. We hebben tevens wat worstjes gegeten
en vat cakes en na een half uurtje ging het verder. De Marowijne
hadden we nu achter de rug, de Lawa lieten we links liggen en nu
zaten we dus echt op de Tapanahony. De rivieren verschillen in
niets van elkaar, tenminste voor ons leken dan, en voorlopig
zouden we ook geen soela's krijgen. Om ongeveer twee uur kwamen
we bij een geheel ander soort soela aan. Ik noem dit soort
soela's damsoela's en wel om de volgende reden. Op de plaatsen
waar deze soela's voorkomen zijn er geen eilandjes in de rivier
en over de gehele breedte van de rivier valt het water ineens
ongeveer 1 tot 1½ m. Deze soort soela's worden net zo
genomen als vroeger de steekspelen bij de ridders werden
uitgevoerd. Je mindert vaart tot op enkele tientallen meters
voor de dam, dan plotseling storm je vooruit met de motor op
volle snelheid en het grootste gedeelte van de korjaal verdwijnt
bijna helemaal onder water. Door de opwaartse kracht van het
water komt het voorste stuk met een ruk omhoog en het achterste
stuk gaat dan mee. Door de koelamannen voorin wordt dan druk
gepeddeld terwijl het achterste stuk als het ware geheel vrij
komt te hangen. De motor is dan natuurlijk niet meer in staat om
de korjaal voort te bewegen en nog gebruik makend van de
snelheid die de korjaal had, peddelen de koelamannen verwoed
door totdat de motor weer "grip" krijgt en dan zijn we erover.
We zagen in dit soort soela's helemaal geen gevaar naar onze
tweede koelaman vertelde ons dat dit soort stroomversnellingen
toch nog wel tot de gevaarlijkste gerekend moeten worden. Omdat
over de gehele breedte van de rivier hetzelfde gebeurd schijnt
dat, vlak voor de soela, aan de lage kant, gevaarlijke
draaikolken ontstaan. Hij vertelde ons dat in deze soela zijn
broer, die als motorist werkte bij een binnenlandse
vervoermaatschappij, met korjaal en al vergaan is. Het
vreemdste is echter dat ze hem en z’n spullen nooit meer hebben
teruggevonden en zo'n verhaal dat ongetwijfeld waar zal zijn,
zet je toch wel aan het denken. Afijn, bij ons was er niets
gebeurd en dat is naar gelukkig ook want voor geen geld zouden
we de volgende dagen hebben willen missen. Na nog een uur
kwamen we weer zo'n dam tegen en hier ging alles net zo als bij
de eerste. Deze dam was echter niet zo groot als de eerste.
Tegen drie uur kwamen we aan bij de Gran Holo vallen en dat is,
zoals we op de terugweg hebben gemerkt, een prachtig gezicht. Nu
moesten we echter Drietabbetje bereiken en daar het al vrij laat
was hadden we geen tijd om deze te gaan bezichtigen. Het enige
stukje
van
deze Gran Holo vallen, de Wowatra abravallen, waar de boten over
konden, is in het verleden altijd het grote struikelblok van de
Tapanahony rivier geweest. Deze Wowatra abravallen zijn in het
geheel ongeveer vijftien meter lang met in die vijftien meter
een verval van zeker 4 tot 5 meter, Hier moest men in het
verleden altijd de korjalen uitladen en de korjalen leeg over de
vallen trekken. De lading werd dan over een stuk land vervoerd
tot aan de andere kant van deze vallen, hier weer ingeladen en
je begrijpt dat dat een ontzettend tijdverlies opleverde. Sinds
twee jaar echter heeft men een klein spoorbaantje naast deze
vallen aangelegd. Een klein karretje met vier wielen wordt nu
onder de korjaal geduwd en met z'n allen wordt dan dit geheel de
spoorlijn opgetrokken wat een heidens werk is. Als zo'n grote
korjaal op zo'n karretje het water uit wordt getrokken dan besef
je pas hoe afgrijselijk groot die kleine bootjes toch nog zijn.
Er moest wel gewerkt worden om dit gevaarte de heuvel op te
krijgen. We waren met z’n twintigen aan het trekken en duwen en
nog ging het maar heel langzaam. Als je zo loopt te zwoegen
naast zo’n boot begin je pas goed in te zien wat die koelamannen
voor ’n werk verzetten. Tjonge, wat is zo’n korjaal akelig
zwaar. Het vervelendste was echter dat de rails overal niet even
wijd was zodat het karretje diverse malen van de rails afliep.
Dan komt iedereen er aan te pas om de korjaal omhoog te trekken
zodat de krachten op het karretje minder worden en de
“operators” in staat zijn om alle vier de wielen weer op de
rails te zetten. Gelukkig gebeurde dit alleen bij de eerste
korjaal Bij de andere twee korjalen hadden we al gauw in de
gaten dat je aan beide kanten even hard moet duwen en trekken.
Dit alles bij elkaar duurde ongeveer een uur en het zweet gutste
van ons af. Het was die middag dan ook erg warm en vrijwel geen
bewolking. We waren echter nog niet helemaal klaar. Toen wij zo
bezig waren met onze eigen korjalen kwam er ook nog een grote
korjaal bij die een inlandse priester vervoerde. Dit kon je
zien, zo vertelde men later, aan de grote witte vlag die die
boot droeg. Die vlaggen doen qua afmetingen denken aan Chinese
vlaggen: langer dan onze vlaggen en minder breed, of breder en
minder lang, 't is maar hoe je het bekijkt. Toen ons dit was
verteld hebben we onderweg hoopjes van die vlaggen langs de
rivier gezien. Voor ons was dit altijd moeilijk te ontdekken
maar als je even oplet heb je het echter gauw in de gaten.
Minstens elk uur kwamen we er wel enkele tegen. Het kan
natuurlijk ook zijn dat die vlaggen langs de oever heilige
plaatsen aanduiden. Dit soort vlaggen hebben we vooral in de
heidense dorpen veel gezien. B.v. in Poeketi, het dorpje dat
tegenover de Wowatra abravallen ligt, was er mee vergeven. Je
kon daar geen meter lopen of je kwam zo’n vlaggenmast tegen met
allemaal lange, eens wit geweeste lappen eraan. Bovendien was in
Poeketi de beschildering van de huizen wel erg opvallend. In
geen enkel ander dorp waren de huizen zo druk beschilderd als
daar. Ook was het hier dat we voor 't eerst lege flesjes met een
dop erop tegenkwamen. Die stonden meestal op de deurpost of
hingen naast de beschilderingen aan de muur. Dit is natuurlijk
ook iets tegen de boze geesten maar ondanks herhaalde malen
vragen aan de koelamannen werd ons dit niet geheel duidelijk
uitgelegd. Terug bij het sleepwerk. De boot die die priester
vervoerde was bijna net zo groot als onze eigen korjalen maar
gelukkig niet zo zwaar beladen. Het duurde dan ook niet lang of
we hadden ook deze boot over de rails naar de andere kant
gebracht. Dit werd natuurlijk zeer op prijs gesteld. Het komt
niet veel voor dat er mankrachten genoeg aanwezig zijn om
korjalen van die afmetingen zo gemakkelijk naar de andere kant
te brengen. We moesten eerst even bijkomen van al dat gesjouw en
zijn naar een kleine uitspanning gegaan die halverwege de rails
was opgetrokken. Hier namen de meeste van ons een lekker koud
flesje soft en na 15 minuten was het weer instappen geblazen en
gingen we verder. Het was inmiddels al tegen drie uur en we
begonnen het al akelig zat te worden. Totaal zaten we dan ook al
7 uur op die harde planken en je wist van narigheid gewoon niet
hoe je moest gaan zitten. Ook hier kon je duidelijk merken hoe
de Europeaan al verpest is door al die luxe. De koelamannen en
de motoristen staan en zitten de hele dag en je merkt helemaal
niet aan ze dat ze moe worden of pijn in hun rug krijgen. Ja, we
hebben deze mensen wel leren waarderen zo gedurende de trip.
Maar met nog ongeveer 1½ uur te gaan zou het allemaal nogal
meevallen. Na ongeveer een half uurtje kwamen we bij een nieuw
soort soela en wel een van de allermoeilijkste. Geen groot
verval doch veel stenen en hier en daar erg ondiep. Vlak voordat
we bij deze soela aankwamen gingen we ineens de bossen in,
tenminste, zo leek het dan. Een kleine opening die bijna
helemaal dichtgegroeid was en voor ons leken op het eerste
gezicht niet veel ruimte gaf. Een vreemde gewaarwording zo'n
nauwe doorgang. Misschien kan je het vergelijken met zeilen op
de Kaager plassen. Daar heb je ook zo ineens van die doorgangen
waar je met je handen uitgespreid beide oevers kan bereiken. We
moesten hier ook diep bukken om niet door de overhangende takken
van onze hoofddeksels beroofd te worden. Die doorgangen leveren
echter dankbare shots op om gefotografeerd te worden. Het
zonlicht wordt hier prachtig "gefilterd" en het was daar erg
mooi zo, met dat water, bos en zon. De soela. Een grote wirwar
van stenen en we zagen nauwelijks een behoorlijk plekje om te
varen. Na een tijdje zigzaggen, duwen en trekken kwamen we dan
ook typisch vast te zitten maar daar waren de koelamannen
helemaal niet van onder de indruk. Ze sprongen uit de boot en
tilden de korjaal gewoon over de rotsen. We kwamen soms wel
akelig schuin te hangen maar daar de stroming hier niet snel was
leverde dat geen bezwaar op. We werden ingehaald door een kleine
korjaal “bemand” met twee vrouwen. Omdat deze korjaal leeg was
en stukken kleiner hadden ze natuurlijk haast geen last van het
lage water. Eventjes verderop lieten deze vrouwen hun korjaal
achter enkele rotsblokken vastliggen en kwamen zwemmend en
lopend en kruipend naar ons toe om de koelamannen een handje te
helpen. Wij echter mochten niet uit de boot en moesten blijven
zitten. Je voelt je dan ongelofelijk lullig. Gewoon maar blijven
zitten terwijl er wildvreemde vrouwen komen helpen slepen. Dit
is echter ook zo'n vreemde legerorder. Militairen mogen echter
dan pas helpen als er werkelijk gevaar voor de korjalen en de
inzittenden bestaat. Dat bestond echter niet, dus niet helpen.
Je schaamt je echter rot en je weet gewoon niet welke kant je op
moet kijken. De vrouwen waren uit een naburig dorpje en toen we
allemaal eenmaal de soela over waren hebben we daar even gestopt
en de dames enkele dingen als dank aangeboden. Daarna ging de
boot met de luit vooruit om onze komst te Drietabbetje te
melden. Met militaire patrouilles moet dit allemaal officieel
gebeuren. Het duurde niet lang voordat ze terugkamen en nu met
de boot van de kap. voorop gingen we Drietabbetje aanvallen. Met
de hob heb in volle actie stormden we op het dorp af en vlak
voor het dorp werden er saluutschoten afgevuurd. Tot grote
ontsteltenis van de hob moeten we voor de show echter drie
rondjes draaien voor het dorp voordat we gingen aanleggen en al
gauw zag hij dan ook helemaal paars van de inspanning. Het werd
echter zeer gewaardeerd, dit optreden van hem, en onder luid
gejuich legden we aan. Vanaf de kant begroette men ons ook met
saluutschoten en dat was erg leuk. Minder leuk was natuurlijk
het feit dat zij geen losse flodders hadden maar gelukkig
richtten ze op het water en dat was voor ons een hele
geruststelling. We werden ontvangen door verschillende basja’s
en onderkapiteins en in processie ging het dwars door het dorp
naar de woonplaats van de Granman. Toevallig waren er in het
dorp enkele Indianen aanwezig die ook tot de Wajana’s behoorden.
Reeds toen maakten ze op ons indruk door hun manier van
voorkomen en waardigheid maar we hadden geen tijd om ze verder
‘aan te gapen’ want eerst moest het ceremonieel bij de Granman
verder voltrokken worden. Voor de poort van zijn huis kwam de
hob weer in actie en dit werd door de omstanders en door de
Granman zelf zeer gewaardeerd. We werden allemaal uitgenodigd om
naar binnen te gaan. Hier werden we officieel toegesproken en
gelukkig dat we gebruik konden maken van de kwaliteiten van Hr.
Libretto die nu als tolk dienst deed. De plaatselijke bevolking
had het hele gebouw omsingeld en overal keken ze door naar
binnen. Dit duurde zo ongeveer een kwartier en toen kregen we
een geleide mee die ons naar het gastenverblijf escorteerde. Dit
gastenverblijf is een van de weinige gebouwen in het toch wel
grote dorp dat er Europees uitzag. Gebouwd op neuten van beton
(grote palen zodat de wind onder het huis kan om zodoende voor
meer afkoeling te zorgen; vergelijk de wijze van bouwen in
Queensland). De officieren en de twee SMA werden naar boven
gebracht en kregen ieder een kamer toegewezen. Wij konden onze
hangmatten spannen tussen de neuten en zo was het nachtleger al
spoedig gereed. De koks zorgden weer voor een voortreffelijke
maaltijd.
Hier
in Drietabbetje werd besloten de grote ijskist uit te laden
omdat deze nu zo goed als leeg was. Leeg is eigenlijk niet het
juiste woord. Er was namelijk nog bier genoeg voor de komende
dagen maar het ijs was intussen gesmolten en het nut van de kist
was er dus niet meer. Met zes man hebben we die kist de oever
opgebracht en dat was een hels karwei. Die kist is ongelofelijk
zwaar iets wat de luit wel beamen kon. We moesten namelijk met
die kist door een klein poortje en dat was net breed genoeg om
de kist door te laten. Een enorm klooien was dus het gevolg. Op
een gegeven moment moesten we de kist neerzetten en dat ging zo
snel dat de luit z'n voet niet op tijd weg kon halen met als
gevolg dat zijn tenen beklemd raakten tussen een van de kleine
pootjes en de harde grond. Er werd echter niet gevloekt maar dat
het prettig was kon je ook zo wel zien. Hij leek er echter niet
al te veel hinder van te hebben want de volgende dag was er
niets neer van te merken. We hadden die avond wel allemaal pijn
in onze rug. Je moet je voorstellen dat je de hele dag in een
schier onmogelijke positie doorbrengt en als dan ineens zo’n
zware kist versjouwd moet worden dan is dat wel te merken. Die
avond zouden we een dansi dansi hebben maar het begon erg hard
te regenen en dat ging dus ook niet door. Enkele van de jongens
konden wegens plaatsgebrek hun hangmat niet onder het huis aan
de neuten bevestigen en die moesten buiten hangen aan de
watertoren en het hek. Hier kwamen we gauw achter de slechte
kwaliteit van de hangmatten want in no time kwamen ze naar
degenen toe die wel onder het huis lagen en de stemming van die
jongens was niet mis te verstaan. Een had nog het geluk dat hij
aan de schijterij was geraakt en die was dus helemaal niet te
genieten. We hebben het echter weer erg soepel opgelost en zo
was er dus weer een dag voorbij. Nog wel leuk om te vermelden is
de belangstelling van de jeugd voor het radiowerk. Zo gauw ze je
in de gaten hebben komen ze werkelijk overal vandaan en je
struikelt gewoon over ze. Ik was met een van de maten bezig de
antenne te stellen en op een gegeven moment was zelfs de radio
helemaal zoek. Het hele veldje stond vol met kinderen en ze
kunnen werkelijk nergens vanaf blijven. Je kan natuurlijk wel
tegen ze schreeuwen dat ze weg moeten maar je moet altijd voor
ogen houden dat je te gast bent in het dorp alhoewel dat af en
toe niet makkelijk is. Snel het bericht verzonden dat we zo en
zo laat aange-komen waren (1700 uur) te Drietabbetje, dat het
weer goed was en dat er geen bijzonderheden waren te vermelden.
Daarna de radio van de antenne losgekoppeld en onder het huis
gezet want ik moest rekening houden met eventuele regen en we
hadden al een radio die niet meer te gebruiken was. Bij alles
wat je doet word je gadegeslagen. Het is dan ook niet dikwijls
dat een militaire patrouille daar komt dus dat is wel te
begrijpen. Bovendien hebben ze ervaring opgedaan dat er altijd
wel wat te halen is. De wacht werd weer ingedeeld en we gingen
gauw slapen want we waren dood- en doodmoe geworden en ondanks
het noodweer hebben we toch lekker geslapen.
Donderdag, de derde dag van de vp zijn we weer om 0530 uur
opgestaan en alles in gereedheid gebracht om te vertrekken. Een
mok havermout, wat brood en thee waren zo genuttigd.
Gelijktijdig werden de rantsoenen verdeeld voor tijdens het
varen en met de hob in volle glorie vertrokken we ongeveer 0645
richting Granboridorp. Omdat we nogal vroeg opstaan maken we
elke morgen de zonsopgang mee en dat is werkelijk een prachtig
gezicht. De nevelsluiers die over de rivier hangen geven aan
alles nog een extra romantisch tintje waar we allemaal van
genoten, behalve dan onze zieke maat. Vanmorgen heeft hij wel
gegeten maar hij kon niets binnen houden. Hij zag gewoon groen
van ellende en dat zou zo nog enkele dagen blijven. Reeds één
uur na ons vertrek kwamen we al de eerste soela van betekenis
tegen. De Koemaroe Tabbetje soela.
Dit
is weer een geheel andere soela als de andere hiervoor
beschrevene. Bij de vorige soela was altijd sprake van een grote
verdeling van het water door allerlei kleine eilandjes en
rotsformaties. Deze keer echter stortte het water van de
Tapanahony zich in een machtige plons ongeveer 1 meter naar
beneden. Een machtig gezicht en het geluid was er dan ook naar.
Hier moesten we uitstappen want de koelamannen vonden het niet
verantwoord om met lading deze soela te nemen. Gelukkig hoefden
we niet uit te laden alhoewel dat. wel gepland schijnt te zijn.
We stapten dus uit op een plaats waar er al velen voor ons zijn
geweest en er was dan ook duidelijk een pad te zien dat naar de
andere kant leidde. We bleven uiteraard staan kijken hoe de
korjalen het zouden doen en dat ging allemaal naar wens. De
koelamannen met peddels gewapend zaten voorin en op ongeveer 20
meter van de soela ging de motorist over op topsnelheid. We
zagen een geweldige hoop schuin hoog opspatten en de korjaal
verscheen midden op de soela en lag ogenschijnlijk stil. De
koelamannen peddelden als gekken en ondanks het hier zeer snel
stromende water kwam de korjaal toch vooruit. Toen kreeg de
motor weer grip en hup, ze hadden het gehaald. De eersten die
erover waren schreeuwden iets tegen de andere twee boten, maar
wat er nou precies geschreeuwd werd konden we door het lawaai
van het water niet verstaan. De koelamannen en de motorist van
de volgende boot staken hun hand op ten teken dat ze het hadden
verstaan en ook zij kwamen zonder problemen naar de andere kant
waar we verrast werden door een grote kolonie agressieve rode
mieren die akelig gemeen konden bijten. We trokken ons dus even
iets terug in het bos en wachtten op de komst van de koralen.
Dat duurde echter langer dan we dachten want vlak achter de
soela bleek het niet bevaarbaar te zijn zodat ze een omweg
moesten maken om bij ons te kunnen komen. Het gehele oponthoud
duurde een klein half uurtje en we stapten snel in om verder te
gaan. Ondertussen werd het echter erg warm en we hebben ons dus
om alle ellende te voorkomen maar weer eens ingesmeerd met
zonneolie. Een ding heb ik niet vermeld en dat is eigenlijk heus
wel het vermelden waard. Voordat we op weg gingen hebben we met
TNT nog wat vis geschoten. Tenminste dat was de bedoeling. Het
resultaat was echter gering tot grote teleurstelling van de
bevolking die in alles wat maar kon varen klaar lag om na de
explosie de rivier op te gaan. De explosie was enorm. Je voelde
de aarde gewoon trillen en met luid gejuich snelde de bevolking
de rivier op maar, zoals reeds gezegd, was het resultaat
magertjes. De hele rivier lag vol met allerlei korjalen en ze
waren voor het grootste gedeelte bemand door vrouwen met grote
visharpoenen. Enkelen hadden het geluk enkele pirengs te pakken
te krijgen Maar voor het metendeel staarde men triest in het
rond. De Indianen die ook daarbij aanwezig waren en die klaar
waren om verder stroomopwaarts te gaan namen niet eens de moeite
om te gaan zoeken. Ze bleven gedurende het hele “feest” op een
afstand staan kijken en toen ze zagen dat het resultaat niet
noemenswaardig was zijn ze meteen vertrokken. Zulke dingen
vallen je natuurlijk wel op als je zo als toeschouwer het gehele
tafereel overziet. Het geeft een prachtig voorbeeld van de
geweldige verschillen van karakter tussen de Indianen enerzijds
en de Boslandcreolen anderzijds. De eigenlijke vertrektijd was
dus niet 0645 maar pas 0745. Dit oponthoud kwam niet alleen door
het vis schieten maar ook omdat onze hospik nog even ter
assistentie opgeroepen werd bij de verpleegpost aan de overkant
van de rivier. Het is verbazend te merken hoeveel vertrouwen de
mensen uit het binnenland hebben in een militaire
gewondenverzorger. Ook als er een medische post is, komen de
mensen liever naar de hospik dan dat ie naar de medische post
gaan. De medische post kan echter uitgebreide hulp verlenen,
meer dan wij dat kunnen en toch.... Wel, verder is er op onze
tocht naar Granboridorp niet veel gebeurd. Wel is het ons
opgevallen dat er steeds minder dorpen langs de oever zijn en
ook worden ze steeds kleiner. De mensen zijn echter bijzonder
uitgelaten als we langskomen, uiteraard wordt hier dan op de hob
geblazen, en je kan aan dit soort kleine dingen merken dat de
bevolking niet veel van dit soort militaire patrouilles
tegenkomt. De meeste patrouilles gaan dan ook tot aan
Drietabbetje en wij waren hier de eerste soldaten in tien jaar.
Een heel voorrecht om daarbij te mogen zijn natuurlijk en dat
beseften we ons ook wel terdege. Tevens is dit de laatste
patrouille die de TRIS organiseert en dit dan in verband net de
komende onafhankelijkheidsdatum van Suriname. Om ongeveer kwart
over twee kwamen we in Granboridorp aan en werden ook daar zeer
hartelijk ontvangen. Alvorens we aan konden leg gen moesten we
langs een soela en dit is weer een geheel ander type als degenen
die we reeds gehad hadden. Het water kwam ook hier over een
breed front naar benden stormen maar omdat vlak onder het
grootste stuk verval in die soela nogal wat grote rotsen lagen
werden hierdoor vlak na de soela hele grote draaikolken
veroorzaakt. Toen we hier langs voeren en dus door de
draaikolken, was dit wel goed te merken. Je kon heel goed voelen
hoe het water de korjaal eerst naar rechts slingerde en daarna
naar links. De motorist moest vol gas bijsturen om moeilijkheden
te voorkomen. Eenmaal voorbij de draaikolken was het water erg
rustig en het "landen" was dan ook geen probleem. We werden door
bijna de gehele bevolking opgewacht inclusief de kapitein. Hij
wist reeds van onze komst en dat is voor ons iets vreemds. Je
denkt dat je op het water de snelste bent maar dat blijkt dan
niet zo te zijn. Blijkbaar worden zulke berichten als
voorrangberichten door de inlanders behandeld en zo zie je maar
dat zelfs in het midden van de jungle je altijd in de gaten
wordt gehouden en elke beweging wordt gerapporteerd. Er werden
natuurlijk weer de nodigs saluutschoten afgevuurd die de gids,
een basja uit Drietabbetje die door de Granman van Drietabbetje
aan ons werd meegegeven omdat deze man de rivier boven zijn dorp
tot aan Apetina beter kende dan onze koelamannen en motoristen,
de stuipen op het lijf joeg. Al bij het spannen van de geweren
dook hij helemaal in elkaar en durfde niet eens achterom te
kijken. Later legde Hr. Libretto hen uit dat we alleen maar
losse flodders gebruikten maar dat scheen hij niet helemaal te
snappen. We moesten tenminste bij de volgende keer dat we zouden
schieten hem op tijd waarschuwen. Ik denk dat hij dan de tijd
wilde hebben om zijn bouwvakkershelm op te zetten. Je ziet de
mensen in het binnenland en ook wel in de stad met voor ons de
meest vreemde hoofddeksels op lopen, of het nou nodig is of
niet. Keer op keer is ons dat opgevallen. Je zou toch wel denken
dat iemand blij zou zijn om zo'n helm na de hele dag zo’n ding
op je kop gehad te hebben, af te zetten maar het tegendeel is
hier het geval. Ik geloof zelfs dat ze met dat ding op hun kop
naar bed gaan. Meestal betekent zo'n hoofddeksel voor hun iets
heel anders dan waar wij hem voor gebruiken. Iemand met een
bouwvakkershelm is duidelijk een heel belangrijk figuur. Telkens
als we dan ook langs een dorpje kwamen ging de helm op en dan
zag je de man helemaal glimmen van trots. Die helm werd dan ook
met de grootste voorzichtigheid behandeld. De kapitein van het
dorp liet ons weten dat het een grote eer was voor hem en de
dorpelingen dat de militairen hun dorp aandeden en hij vond
tevens dat als blijk van zijn grote waardering alle korjalen
door de dorpelingen ontladen moesten worden. We mochten niets
zelf slepen. Hij vond dat als zeer beleefd en wij hadden daar
natuurlijk niets op tegen. Wel krijg je ook hier weer zo’n raar
gevoel als de zware dingen zoals een gasstel, radio’s,
hangmatten en bepakkingen gedragen werden maar dat schijnt hier
nou eenmaal gebruikelijk te zijn en dus moest het maar zo. De
vrouwen vonden het zelfs leuk om extra zware dingen uit te
zoeken om te dragen en alles op het hoofd natuurlijk. Het is ons
opgevallen dat de mensen hier altijd rechtop lopen, dit in
tegenstelling tot in de Europese steden waar je de meeste mensen
voorovergebogen ziet lopen. Het bukken gaat dan ook hier heel
anders als bij ons. Als ze zich bukken, gebeurt dit altijd
vanuit de heupen, zodat de rug altijd recht blijft. Afijn, op de
blikjes bier en voedingspakketten die we niet nodig hadden na,
was alles in een mum van tijd boven en konden we in het daarvoor
aangewezen gastenverblijf ons bivak gaan opbouwen. Je merkt aan
alles dat we steeds geraffineerder worden in het opzetten van
een bivak en binnen het half uur was alles gereed. De hangmatten
hingen, de kok was haast klaar met het eten en de
radioverbinding van ook reeds tot stand gekomen. Omdat wij vrij
vroeg aangekomen waren hadden we nu tijd genoeg om aan ons zelf
te denken, iets wat de afgelopen twee dagen door tijdgebrek e.d.
niet of niet in voldoende mate mogelijk was gebleken. Het werd
hoog tijd om de geweren te onderhouden en dat werd dus ook
gedaan. Door al dat in- en uitladen blijft echter niets op
dezelfde plaats liggen en dus konden we het busje wapenolie dan
ook niet vinden. Later bleek dat het zich in de korjaal van de
luit. bevond maar die was die middag met de kapitein en enkele
gasten uit het dorp aan het vis schieten dus die waren niet
bereikbaar. Omdat we al zo'n tijd naar die olie hebben lopen
zoeken en er nog meer dingen waren die op onverklaarbare wijze
niet te vinden waren kregen we ineens allemaal goed de PE in. We
besloten om de wapens dan maar met spijsolie in 'te vetten zodat
er toch nog wat vet opzat. We zijn toen gauw met z'n allen gaan
zwemmen op een plaats die daar uitermate geschikt voor was. Even
iets verderop, boven de soela met de grote draaikolken was weer
zoiets als een soela, een kleintje. Hier hebben we uitermate
lekker gezwommen en ook hebben we nog enkele uurtjes lekker
bloot in de zon gelegen. Ja, we zijn tenslotte midden in de
jungle en iedereen zwemt daar bloot dus wij ook maar. Het enige
vervelende was natuurlijk dat je niet zeker wist of daar pirengs
waren maar dat hebben we even aan de plaatselijke bevolking
gevraagd en die hebben ons uitgelegd dat bij soela's, tenminste
niet aan de bovenkant daarvan, nooit pirengs voorkwamen en dat
hebben we dan maar aangenomen temeer omdat ze zelf ook altijd
daar gingen zwemmen. Je kon daar uren zwemmen zonder ook maar
één meter vooruit te komen en dat is best leuk om eens mee te
maken. Er zijn zelfs enkelen geweest die zich met de stroom mee
hebben laten drijven de soela af maar dat heb ikzelf maar niet
gedaan. De maat die nog steeds goed ziek was (op één avond heeft
hij er een hele rol WC-papier doorgedraaid) had nogal last van
de warmte en vond in het water gelukkig de nodige afkoeling. De
plaats was ook, zoals reeds gezegd, uitermate geschikt om te
zonnebaden. De rotsen waren hier vrij plat en we hebben daar dan
ook dankbaar gebruik van gemaakt. Na dus enkele uurtjes op zeer
prettige wijze te hebben doorgebracht kwam de sergeant ons er
aan herinneren dat we in militaire dienst waren en dat we de
wapens moesten onderhouden. De luit. had namelijk gehoord dat we
de wapens maar ingeolied hadden met spijsolie en dat beviel hem
helemaal niet. We baalden daar dus van, zoals dat heet, maar
hebben toch maar gauw gedaan wat er gezegd was anders zou de
stemming, die toch al niet plezierig was op dat moment, nog
verder verergeren en dat was ook niet nodig. Iemand moest enkele
geschenken gaan halen die ergens in de korjalen lagen en kwam m
een half uur terug met de mededeling dat het niet aanwezig was.
De luit. kwaad en die ging zelf kijken en kwam natuurlijk reeds
na enkele minuten al met het gevraagde naar boven. Hij was nogal
opgewonden daarover en we kregen dan ook een kleine speech te
horen dat we ons wat meer moesten inspannen om het geheel
plezierig te houden en meer van dergelijke uitspraken. We waren
het hier natuurlijk niet mee eens want volgens ons deden we dat
al, maar we hebben het maar ter kennisgeving aangenomen. Tijdens
het opzetten van het bivak werden we natuurlijk weer van alle
kanten met open mond gadegeslagen. Zelf hadden we ook iets om
gade te slaan en dat was het maken van Creoolse kapsels zoals ik
dat maar zal noemen. Vlak naast onze gastenverblijven waren
namelijk enkele meisjes' bezig het haar op deze typische wijze
te behandelen en dat had natuurlijk onze belangstelling. Niet
alleen het haar natuurlijk want er was nog wel wat meer te zien
aan dit viertal en je begrijpt natuurlijk wel wat dat was. Er
werd bekend gemaakt dat er die avond ter ere van ons een ‘dansi’
zou worden georganiseerd. We waren daar echter nog niet van
overtuigd gezien onze ervaringen van de twee vorige avonden.
Deze avond bleef het echter droog en zo rond 8 uur hoorden we
reeds de eerste apinties (tam-tam) en de gezangen. De wacht werd
geregeld en we zijn natuurlijk gaan kijken. Ten eerste zou dit
een echt dansi dansi worden omdat dit nog voor het grootste
gedeelte een heidens dorp was. De invloed van het christendom op
de dansi dansi heeft zich wel heel duidelijk doen gelden en dat
hebben we op deze avond wel gemerkt. Het dansen was erg fanatiek
en zeer op de seks ingesteld. Het laat zich moeilijk omschrijven
maar gelukkig mochten we foto's maken en dat hebben we dan ook
driftig gedaan. Ook worden er politieke zaken tijdens zo'n dansi
in zang uitgedrukt en het is wel duidelijk dat de Hindoestaanse
partij er hier niet al te gunstig vanaf kwam alhoewel ik de
indruk heb dat ze zo ver in het binnenland niet erg veel
voordeel hebben van een Creoolse regering. Ik kan dit mis hebben
maar volgens mij liggen deze dorpen teveel afgelegen om ook maar
het kleinste voordeel te hebben van het overschakelen van
regering. Wel zie je hier en daar grote aanplakbiljetten van
verschillende partijen (hier natuurlijk van de Creoolse) maar
die hingen ook boven de deuren van de huizen. Je krijgt dan al
gauw de indruk dat ze deze aanplakbiljetten ook als
geestenverjagers behandelen. Wat er verder tijdens zo'n dansi
dansi gezongen wordt is onbekend omdat je niemand tegenkomt die
het voor je vertalen wil. We hebben enkele keren aan de
koelamannen gevraagd wat er nu precies gedaan werd maar ze waren
niet al te gul met hun antwoorden. Opgevallen is ook dat er ook
hier bijna alleen vrouwen waren die aan het dansen waren en
teksten zoals “Mijn kutje is op slot want mijn man is niet
thuis” en Mijn kutje brandt” waren dan ook regelmatig onderwerp
van gezang. We wisten in het begin niet wat er gezongen werd dus
deden we dapper mee met zingen en gooiden er enkele moeilijke
jodelkreten doorheen maar dit werd niet gewaardeerd. We werden
er door de kapitein van het dorp op attent gemaakt en de kreten
hielden we dus maar voor ons alhoewel we fanatiek meededen met
het dansen en daar was geen bezwaar tegen. Alles danst, van 2
jaar tot volwassen vrouw en je kan zien dat ze aan hun uiterlijk
de meeste aandacht hebben besteed. Elk kapsel was anders en zo
te zien lag dat aan de leeftijd. Het haar wordt als het ware In
vierkantjes verdeeld en daarna wordt het zo in elkaar gedraaid
dat in het midden van het vierkant er een klein torentje
ontstaat. Er blijken verschillende manieren te bestaan om zo'n
torentje te maken en het was voor mij wel duidelijk te zien dat
zoiets of met de lengte van het haar of met de leeftijd iets van
doen had. Hopelijk zijn de foto's en dia's van dit dansi dansi
genomen goed geslaagd want zoiets maak je nooit meer mee. We
zouden vooral later inzien dat een dansi dansi uit een
Christendorp zoals Drietabbetje heel wat anders is dan wat we
hier meemaakten. Er werd wat rum uitgedeeld, een onderdeel van
de geschenken, en het feest werd steeds fanatieker. De apinties
begonnen steeds langer hetzelfde ritme te slaan en de rum had
hier wel een zeer merkbare invloed. Die rum overigens is erg
sterk en ontzettend vies. Het is een van de slechtste
kwaliteiten rum die je kan kopen maar blijkbaar prefereren ze
dit soort boven de andere. Zelfs kleine kinderen van 2 jaar
kregen een beetje uit de fles en ieder Europees kind zou meteen
tegen de grond slaan van dat branderige spul, naar deze kinderen
schijnen zo nog wel het een en ander gewend te zijn. Bepaald
eenkennig zijn de mensen hier ook niet want als je maar even aan
de kant ging staan om een beetje uit te rusten dan kwam er
gelijk iemand naar je toe die je weer in de kring trok. Men
danst hier zoals we dat van de Noord-Amerikaanse Indianen
kennen. In een kring tegen de klok in. Twisten doen ze ook met
de meest fantastische variaties erin. Ze zijn schier
onuitputtelijk in het bedenken van allerlei nieuwe bewegingen en
wij vielen dan ook wel op door onze 'houterigheid’. De
verlichting van het dansi dansi bestond uit twee oliepitjes die
toch voor een ongelofelijke hoeveelheid licht zorgden. De
beschaving is ook doorgedrongen wat betreft het elektrische
licht alleen dan in de vorm van zaklantaarns. Ik heb daar
zaklantaarns gezien waar wel minstens tien batterijen in kunnen;
ontzettende joekels van dingen en ze zijn erg lastig. Als je
door dat stikdonkere dorp loopt dan doe je dat voor het grootste
gedeelte op je geheugen alhoewel op sommige tijdstippen de maan
ook wel welkom was.
Zijn je ogen eenmaal gewend aan de duisternis dan heb je
geen moeite in het onderscheiden van de huisjes en de weg;
schijnt nu iemand tijdens je overtocht van het bivak naar het
dansi dansi plaatsje in je gezicht dan ben je minstens vijf
minuten geheel hulpeloos want je ziet totaal niets meer. Erg
vervelend maar je bent gewoon gedwongen om stil te blijven staan
totdat je weer iets kunt onderscheiden.
Wat
ook opvallend was en wat we hier voor de eerste keer zagen is de
geestenafrastering die om het hele dorp was opgericht. Deze
afrastering bestaat uit twee verticale stokken die langs de weg
zijn opgesteld met daaroverheen een dwarslat op ongeveer twee
meter hoogte. Aan die dwarslat hangen gedroogde bladeren van het
een of andere soort die ieder aan die dwarslat zijn vastgebonden
en ongeveer 40 cm lang zijn. Kom je nu langs de weg het dorp
binnen dan ben je verplicht te bukken. Dit bukken nu is iets wat
de boze geesten niet kunnen en zo zijn ze dus gedwongen om
buiten het dorp te wachten. Dit is zuiver en alleen bedoeld voor
de privé boze geesten. De geesten die je dus zelf bij je hebt.
Voor dat andere soort zorgen de beschilderingen op de huizen
langs de deur en ook hier troffen we weer overal flesjes aan. De
motoristen en koelamannen zijn wat betreft die bosgeesten erg
zwijgzaam en we zijn dan ook niets wijzer geworden wat die
flesjes betreft en de verschillende soorten beschilderingen. Eén
ding is ons helemaal niet bevallen in dat dorp en dat was het
gastenverblijf. Het zat hem namelijk in de afstand van de
dakpalen. Deze stonden erg dicht bij elkaar zodat het strak
spannen van de hangmat onmogelijk bleek. Het resultaat was dan
ook dat je in zo'n hangmat hangt als een tros appels en dat is
helemaal niet zo prettig. Je ligt dan met je benen haast tegen
je hoofd en je krijgt er nogal een pijnlijke rug van. Op je zij
liggen gaat ook zo moeilijk want dan lig je helemaal in de
kronkels en hoe je je ook wendt en keert, altijd hou je er een
pijnlijke rug van over. De meeste hebben dan ook haast niet
geslapen en de volgende morgen waren we dan ook ze duf als een
konijn maar zijn kan.
Vervolg in de volgende
Triskoerier |